zaterdag 5 maart 2011

Eigenlijk taalgebruik

Het is eigenlijk niet aan mij om me te wagen aan taalkunde. Ik heb hier immers niet voor gestudeerd. En ook al noem ik mijzelf schrijver, zelfs in de nieuwe spelling heb ik me nooit verdiept. Taal moet wat mij betreft vooral mooi en functioneel zijn. Regels vind ik niet zo belangrijk. Des te amusanter is het om af en toe zelf na te denken over wat we zeggen met wat we zeggen.

Terug naar de eerste zin van dit blog. Ik had ook kunnen zeggen, dat het feitelijk, of in feite, niet aan mij is om me te wagen aan taalkunde. Of zelfs, dat het in werkelijkheid niet aan mij is. Eigenlijk, feitelijk, in feite en in werkelijkheid liggen heel dicht bij elkaar. Ze duiden allemaal een tegenstelling of tegenwerping aan, na een al dan niet uitgesproken constatering of vaststaand feit. In dat geval gaat er vaak het woordje maar aan vooraf. “Ik schrijf er dan wel een blog over, maar eigenlijk, feitelijk, in feite, in werkelijkheid, is het niet aan mij om me te wagen aan taalkunde.” De Engelsen doen dat ongeveer hetzelfde, met in fact, really of actually (merk op dat actualiteit synoniem is voor werkelijkheid).

Hoewel deze woorden vrij willekeurig door elkaar gebruikt worden, waarbij eigenlijk qua frequentie met kop en schouders boven de anderen uitsteekt, vraag ik mij af of dat wel terecht is. Zijn er ook verschillen?

Eigenlijk in de functie van bijwoord betekent volgens de Van Dale: welbeschouwd. In de zin van: wat is hij welbeschouwd? Met andere woorden: als je er nog eens goed naar kijkt. En laat objectieve waarneming nou net binnen de wetenschap een belangrijke onderzoeksmethode zijn om tot feitelijke, werkelijke gegevens te komen. Dus kun je er vanuit gaan dat de woorden eigenlijk, feitelijk, in feite en in werkelijkheid ongeveer hetzelfde betekenen. In elk geval volgens de Van Dale, die immers zo’n beetje het boegbeeld is van de Nederlandse taalwetenschap.

Maar de Van Dale mag dan gelden als taalkundige autoriteit, in deze zien ze toch iets over het hoofd. Want hoe zit het dan met die talrijke gevallen waarin het woord eigenlijk gewoon middenin een zin geplakt wordt, meer om hetgeen gezegd gaat worden nog even uit te stellen, dan om te benadrukken dat dit een uitvloeisel is van een uitgebreide nadere beschouwing. “Ik heb dat eigenlijk nog nooit gedaan.” Of wanneer het aan het eind van een zin geplakt wordt, vooral om, na mogelijk iets kwetsend of ongeoorloofd gezegd te hebben, dit weer wat af te zwakken? “Dat was best wel slecht, eigenlijk.” Spreektaal? Ja. Maar er zit meer achter.

Want kijk eens naar het woord eigen-lijk. En vergelijk het eens met feit-elijk. Het laatste gaat over feiten, wat dat dan ook mogen zijn. Het eerste gaat over eigen. De eigen beleving, gedachtewereld, beweegredenen. Ik kan nu een filosofische verhandeling beginnen over de vraag hoe feiten en beleving zich als waarheid tot elkaar verhouden, maar dat laat ik maar over aan de wetenschap.

Het mooie van het woord eigenlijk is dat het niet pretendeert de feiten of werkelijkheid te kennen. Dat het niets zegt over wat algeheel waar is, maar zich beperkt tot de eigen waarheid. “Eigenlijk wil ik dat niet.” Deze persoon zegt ondanks zijn verlegenheid of angst voor de mogelijke consequenties, dat hij niet datgene wil wat net met veel bombarie is voorgesteld. Dat is moedig en gevoelig. Eigenlijk is moedig en gevoelig en vooral heel eigen. Dat maakt het tot een prachtig woord.

Interessant is dat de Engelsen geen vertaling kennen die dicht bij die essentie blijft. Zij baseren zich bij het tegenspreken meer op feiten en een vermeende werkelijkheid. Net als wetenschappers. Wat dat over hen zegt, daar waag ik me niet aan. Maar het feit dat gewone Nederlanders te pas en te onpas smijten met het woord eigenlijk, geeft me toch een goed gevoel.

Mooi of niet, eigenlijk is wel degelijk heel verschillend van feitelijk, in feite, of in werkelijkheid. Sterker nog, ik vind dat het woord eigenlijk eigenlijk alleen nog gebruikt zou moeten worden in persoonlijke, subjectieve contexten. Dat zijn er gelukkig meer dan de objectieve. Dus niet meer: “Hij zei wel dat hij ervaring had, maar eigenlijk had hij nog nooit een kwast aangeraakt”. Maar: “…, in werkelijkheid / in feite / feitelijk had hij nog nooit een kwast aangeraakt”. Hier is immers geen sprake van een mening of een persoonlijke wens, maar van een redelijk vaststaand feit. Maar voor alles wat ook maar een beetje persoonlijk, subjectief en eigen is: eigenlijk er vooral lustig op los.

En al is het volgens sommigen misschien feitelijk niet aan mij om deze conclusie te trekken, dat kan me eigenlijk niet zoveel schelen, eigenlijk.

2 opmerkingen: