woensdag 16 februari 2011

Een kwestie van dood of leven

Ik piepte krijsend om mijn moeder en bleef maar piepen, terwijl ik in doodsangst op de rand van het nest balanceerde. Zij was daar ergens in de diepte, ver beneden me. Mijn broertjes en zusjes dobberden al om haar heen, met hun grote lompe poten driftig in het rond trappelend in een poging houvast te vinden in het zacht stromende water. Achter elkaar aan waren ze zojuist in de sloot geplonsd, uit de knotwilg, waarin vader en moeder verkozen hadden ons nest te bouwen. Het zag er wat vreemd uit: geel met bruine, donzige balletjes die uit een boom tuimelden. Op zich was die plek natuurlijk geen slechte keus, we waren hier veilig geweest voor de ratten en onttrokken aan het zicht van de mensen. Om die reden is het gebruikelijk dat de eenden van de Tiendweg, ietwat tegen hun natuur in, in bomen nestelen. Maar nu moest ook ik, slechts enkele uren oud en nog amper gewend aan het gemis van de geborgenheid van mijn ei, me uit dat nest laten vallen, van een hoogte die zeker twintig keer de mijne bedroeg. Het zou mijn dood worden, daar was ik van overtuigd.

Mijn broertjes en zusjes hadden de sprong in het diepe glansrijk doorstaan en poedelden enthousiast rond, happend naar kroos en trots op het feit dat ze zich nu tussen de volwassen eenden bevonden. Weldra zou moeder beginnen aan de tocht naar de beschutte rietkragen verderop, waarbij ze haar in een colonne van zes zouden volgen, met of zonder nummer zeven in hun kielzog. Hoe lang nog zou het duren voor moeder de veiligheid van haar zes dappere kinderen zou verkiezen boven het ene kuiken dat maar niet uit het nest kwam? Hoe lang nog voor ze mij zouden achter laten? Ook dat zou mijn dood worden, dat wist ik heel goed. Ik zou hen niet terug vinden en geen enkele andere eend zou zich over mij ontfermen. Ik zou voortdurend verjaagd worden en uiteindelijk verhongeren, verdrinken of worden opgegeten door een reiger. Ik moest dus springen, ik had geen keus. Maar de angst verlamde me, deed me wanhopig wachten op een andere uitweg, ook al wist ik dat die niet zou komen. Beneden begonnen mijn broertjes en zusjes onrustig te piepen. Ze voelden de dreigingen die in en om het open water op de loer lagen. Ook zij wilden verder. Maar het maakte geen verschil. Ik bleef zitten waar ik zat en gilde om mijn moeder.

Korte tijd later hoorde ik mensenstemmen vlak naast het nest. Ik zag twee mensvrouwen die zich door de brandnetels heen een weg baanden naar mijn wilg. Ze wezen naar me en toen naar het water. Een hand kwam langzaam dichterbij, maar reikte niet hoog genoeg. Ik vermoedde wat ze van plan waren en begon nog harder te piepen, in de hoop dat mijn moeder me te hulp zou schieten. Maar ze zwom met mijn broertjes en zusjes wat verder van de kant af, buiten het bereik van de mensen.

Toen het tot me doordrong dat ik er alleen voor stond, stopte ik met piepen en sloot mijn ogen. In gedachten zag ik de hand dichterbij komen. Doodstil bleef ik zitten, alsof ik daardoor onzichtbaar zou kunnen worden. De hand was nog maar enkele centimeters bij me vandaan. Dit was het dan. Ik zou het grote niets ingaan zonder ooit gezwommen te hebben, zonder ooit zelf naar kroos gehapt te hebben. Ik zou nooit weten wat het was om een eend te zijn. En dat allemaal omdat ik niet de moed had gehad om te doen wat al mijn broertjes en zusjes wel hadden gedaan. Wat elke eend op de Tiendweg deed en wat nog vele eenden na mij zouden doen. Ik was een lafaard en dus was het maar beter dat het voorbij was.

Maar net voor de hand me raakte gebeurde er iets in me. Nee! Ging het opeens door me heen met een kracht die me tegelijkertijd nog banger maakte dan ik al was. Ik wil niet dood! Ik wil naar mijn moeder en naar mijn broertjes en zusjes! Ik ben een eend, ik wil zwemmen tussen de anderen en kroos eten en... Ik moet springen. Ik MOET springen! Maar ik durf niet. HELP!

Op hetzelfde moment voelde ik niet meer de stevig gevlochten takken onder mijn poten, maar de verplaatsing van lucht die met grote snelheid onder de vliezen van mijn poten doorstroomde, omhoog door mijn kuikendons en langs mijn opeengeklemde snavel. Ik had mijn ogen weer geopend en zag het groene oppervlak van de sloot in grote vaart op me af komen. Het was voorbij, schoot het door me heen, de hand had me geduwd en nu kon ik elk moment te pletter vallen. Terwijl mijn snelheid toenam, werden de blaadjes kroos groter en groter. Net toen ik verwachtte dat het licht uit zou gaan, voelde ik dat ik iets raakte en daar vervolgens doorheen ging. Nu viel ik veel trager, tegengehouden door een massa die tot mijn verbazing vertrouwd aanvoelde. Een herinnering aan de tijd in het ei kwam in me op, al was het daar veel warmer geweest. Aangezien het leven eindigt waar het begint, zoals moeder ons had verteld, zou dit de dood wel zijn.

Ik was nog bezig me te verbazen over de troebele wereld waarin ik was terecht gekomen toen mijn longen vonden dat het tijd was om adem te halen en ik een enorme gulp water binnen kreeg. Precies op dat moment schoot ik terug naar boven en proestend kwam eerst mijn kop en toen mijn hele lijf weer boven het water uit. Ik zoog de lucht naar binnen, er instinctief op voorbereid om elk moment weer kopje onder te gaan. Maar dat gebeurde niet.

Toen ik voelde dat ik stil lag, keek ik verdwaasd om me heen, me afvragend of ik nu dan eindelijk dood was. Mijn voeten zaten nog steeds in wat leek op koud vruchtwater, maar de plek waar mijn hoofd was leek meer op de omgeving van het nest. Verderop zag ik zelfs de boom waarin ons nest zat, met daarin… ons nest. Vreemd. Zelfs het water met het kroos was hier ook, alleen… dreef ik er nu in… Hoe kon ik nou in het water drijven? Ik snapte er niets van, tot ik achter me mijn broertjes en zusjes hoorde lachen. Ik probeerde me om te draaien, maar dat lukte niet. Automatisch trappelde ik met mijn poten en ik merkte dat ik vooruit ging. Ik zwom, schoot het opeens door me heen. Ik was helemaal niet dood, ik zwom tussen mijn broertjes en zusjes. Ik leefde, ik zwom!

Inmiddels hadden mijn broertjes en zusjes zich voor me verzameld en naast me dook mijn moeder op, die me een liefdevol duwtje met haar snavel gaf. Doordat ik nog niet zo stabiel in het water lag, draaide ik een halve slag om mijn as. Nu zag ik in de verte de twee vrouwen lopen. Toen het tot me doordrong dat zij me over de rand van het nest geduwd hadden en dat ik de val overleefd had, begon ik enthousiast te piepen. Dankzij hen zwom ik hier. Maar de vrouwen keken niet op of om. Ze waren al veel te ver weg. En toen realiseerde ik me dat zij me dus helemaal niet geduwd konden hebben. Was ik dan toch zelf gesprongen? Vol trots en helemaal op eigen kracht draaide ik me terug naar mijn familie.

Toen de vrouwen de volgende dag weer over de Tiendweg wandelden zagen ze ons niet meer in de sloot. Het nest in de wilg lag er verlaten bij. Nu het niet meer door vader en moeder onderhouden werd, zou het in de zomerzon verdrogen en in het najaar door regen en wind uiteengerafeld worden en vergaan. De wilg zou dan weer gewoon een wilg worden met kale takken, in de winter bedekt met een laagje sneeuw. Tot in de nieuwe lente nieuwe eendenkuikens in de beschutting van zijn nieuwe bladeren uit hun ei komen en, of ze durven of niet, de grote stap in het leven wagen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen