woensdag 16 februari 2011

Parmantig

Het volgende is deels waargebeurd, deels verzonnen, naar aanleiding van de uitnodiging van het Neerlandsch Genootschap ter Bevordering van het Belegen Woord om verhalen in te sturen rond een bepaald belegen woord.

Parmantig

Mijn grootmoeder noemde mij vroeger vaak een parmantig dametje, als ik weer eens in haar mij veel te grote schoenen met veel te hoge hakken door haar flat stiefelde, met om mijn hals haar parelketting, op mijn lippen haar oudroze lippenstift en in mijn knuistjes haar handtas. Ik werd dan ietwat verlegen en mijn opgeheven blonde hoofdje blikte een paar tellen richting de ver voor mij uitstekende schoenneuzen. Maar mijn oma leerde mij al op jonge leeftijd de enige juiste reactie op complimentjes. ‘Wat zeggen we dan?’, vroeg ze steevast. ‘Dank u wel’, antwoordde ik dan, al weer vol bravoure naar haar opkijkend. Mijn oma was de enige die ik het woord parmantig ooit had horen gebruiken.

Tot ik twintig jaar later op een zomerse vrijdagmiddag in mijn gloednieuwe gebloemde jurk liep te paraderen door de buurt, voorzien van kekke zonnebril, lipglans en iets te grote maar o zo formidabele, hooggehakte muiltjes. Ik passeerde een bankje met daarop twee bouwvakkers, die daar in de zon met een flesje gerstenat in de hand het weekeinde zaten in te luiden. Ik zette mij al schrap voor het welbekende gefluit, of een in meer of mindere mate schuine opmerking en nam mij hooghartig voor om, welke uiting van lof of lust er ook zou volgen, deze volkomen te negeren. Stiekem was ik gewoon nog steeds een beetje verlegen.

Des te verbaasder was ik toen ik in het voorbijgaan hoorde: ‘wat loop jij parmantig, dame!’ Met een brede grijns draaide ik me naar hen toe en zei: ‘dank u wel!’

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen