donderdag 29 maart 2012
woensdag 28 maart 2012
vrijdag 23 maart 2012
Fantasie
Vraag me niet waarom ik schilderde wat ik schilderde. Fantasie is een merkwaardig iets. Maar vrolijk is het!
Mandala
Na een middagje intuitief mandala tekenen bij kunstenares Joke van Kuilenburg sloeg ik, weer intuitief, aan het schilderen. Heerlijk om je hoofd even helemaal uit te zetten en van binnenuit iets te laten ontstaan.
donderdag 15 maart 2012
vrijdag 9 maart 2012
woensdag 29 februari 2012
zaterdag 4 februari 2012
donderdag 26 januari 2012
Stroom
Karin Ramaker organiseert elke week de WOT (Write On Thursday), een creatieve schrijfopdracht rond één enkel woord. Omdat het vandaag Gedichtendag is, is de uitdaging dit keer om in dichtvorm te schrijven. Het woord van deze week is STROOM. Daar had ik gisteren toevallig al toepasselijke gedachten over. Vandaag heb ik geprobeerd ze om te vormen tot een gedicht.
PING
Kijk aan, een brandend lampje
PING
Zomaar een goed idee
Maar stel een writersblock verlamt je?
Hoe bereik je: weg ermee?
Ooit een lampje aangekregen
door blindstaren, urenlang?
Ooit de kleinste vonk verkregen
met in elke hand een wang?
Ideeën bedenk je niet, die krijg je
Ze willen groeien bovendien
Net als alle levende wezens
moet je ze van voedsel, licht en warmte voorzien
Dus neem een douche en ga naar buiten
Eet inspiratie, een hele tros
Ze willen ook nog eens de ruimte
Dus stop met denken, laat het los
Steek dan de stekker van je dromen
in het stopcontact binnenin
Laat de energie geduldig stromen
Je hoort vanzelf een keertje: PING!
PING
Kijk aan, een brandend lampje
PING
Zomaar een goed idee
Maar stel een writersblock verlamt je?
Hoe bereik je: weg ermee?
Ooit een lampje aangekregen
door blindstaren, urenlang?
Ooit de kleinste vonk verkregen
met in elke hand een wang?
Ideeën bedenk je niet, die krijg je
Ze willen groeien bovendien
Net als alle levende wezens
moet je ze van voedsel, licht en warmte voorzien
Dus neem een douche en ga naar buiten
Eet inspiratie, een hele tros
Ze willen ook nog eens de ruimte
Dus stop met denken, laat het los
Steek dan de stekker van je dromen
in het stopcontact binnenin
Laat de energie geduldig stromen
Je hoort vanzelf een keertje: PING!
woensdag 11 januari 2012
De jongen die dapper genoeg was
Een verhaal over hoe het vooral onze angst is om te krijgen wat we willen, die ons ervan weerhoudt te krijgen wat we willen.
Diep in het gebergte van Cantos lag een geheime grot, die op een dag ontdekt werd door de bewoners van een klein dorp in de buurt. De toegang tot de grot werd afgesloten door een enorme, ondoordringbare deur. De fantasie van de dorpelingen sloeg meteen op hol: er ging vast een schat achter verscholen! En inderdaad, zo concludeerde de dorpswijze, die als enige de inscriptie kon lezen die in de deur was aangebracht. In de grot zouden zich rijkdommen bevinden waarvan één man een leven lang met zijn gezin zou kunnen leven. Maar, zo zeiden de woorden, die rijkdommen waren bedoeld voor iemand die geen angst kende. Alleen voor zulk een persoon zouden de deuren zich openen.
Toen het nieuws over de schat bekend werd, spoedden de dapperste jagers van het dorp zich naar de grot. Het waren sterke mannen, die de grootste gevaren getrotseerd hadden en elke week weer hun leven waagden om in het onherbergzame gebied voedsel voor hun gezinnen te vangen. Als er iemand zonder angst was, moest die zich onder hen bevinden. Eén voor één traden de jagers toe tot de imposante deur. Maar zodra ze ervoor stonden, overviel hen een enorme angst. Met bonzend hart wachtten ze af of de deur zich voor hen zou openen. Er gebeurde niets. Toen ook voor de laatste jager de deur gesloten bleef, keerden de mannen terug naar het dorp. De oude wijze zou het wel verkeerd gelezen hebben. Ze besloten de volgende dag terug te keren om de deur te forceren. Of misschien was er nog een andere ingang.
De dappere mannen van het dorp probeerden een week lang om bij de schat te komen. Ze probeerden de deur te rammen, gebruikten buskruit en klommen door de steilste ravijnen om een andere ingang te vinden. De helft van hen sneuvelde daarbij. Zij die het overleefden, keerden elke dag onverrichter zake naar huis. Inmiddels had het nieuws ook de stad bereikt en de regent stuurde zijn dapperste soldaten om de deur te openen. Maar ook die werden bevangen door angst zodra het hun beurt was. De toegang bleef gesloten.
In de maanden die volgden kwamen er vanuit het hele land mannen en vrouwen die dachten moedig genoeg te zijn voor de verborgen schat. Er waren vrouwen die veertien, zeventien en zelfs eenentwintig kinderen gebaard hadden. Het waren niet voor niets de vrouwen die kinderen kregen, dus wie waren nu de dappersten? Maar ook hen zakte de moed in de schoenen zodra ze de deur in het oog kregen. Er waren mensen die hun leven gewaagd hadden om een ander te redden, schrijvers van kritische pamfletten, ontdekkingsreizigers, huurlingen, handelaren die grote investeringen hadden gedaan, wetenschappers die gewaagde experimenten hadden uitgevoerd. Uiteindelijk kwamen er zelfs mensen die geen enkele reden konden bedenken waarom ze zichzelf moedig vonden en die het gewoon maar wilden proberen. Maar niemand wist de deur tot de schat te openen.
Op een dag, toen eigenlijk niemand meer een poging wilde wagen, verscheen er een jongen van een jaar of veertien. Hij was smerig, mager en stonk een uur in de wind. Hij bewoog zich schuw en zijn fluisterzachte gestamel was nauwelijks te horen. De dorpelingen lachten hem uit. Zo’n hoopje ellende zou wel de laatste zijn met voldoende moed. Ze gaven hem een paar muntstukken en stuurden hem terug naar de stad. Maar de jongen hield vol dat hij naar de grot wilde. Uiteindelijk wees iemand hem de weg en de dorpelingen, die wel in waren voor een lachertje, liepen met hem mee.
Bij de grot aangekomen ging de jongen voor de deur staan. In tegenstelling tot al zijn voorgangers voelde de jongen geen enkele angst. Hij was na zijn geboorte te vondeling gelegd. Hij had nooit ouders gehad en nooit liefde gekend. Hij was opgegroeid in tehuizen waar stokslagen talrijker waren dan maaltijden. Op zijn negende was hij gevlucht, de straat op. Als zwerver had je een onderkomen nooit langer dan een nacht en vaak zelfs korter. Altijd hongerig, at hij voedsel dat hij vond meteen op. En van de sporadische geldstukken die hij kreeg kocht hij meteen voedsel. Vertrouwen kon hij niemand. Alle mensen die voor de deur hadden gestaan, hadden ooit in hun leven wel iets dierbaars bezeten wat ze ook weer kwijtgeraakt waren. Of dat nu een huis, een geliefde, kinderen of een baan was geweest. En dus werden ze steevast bang bij het vooruitzicht iets te krijgen wat zo graag wilden hebben. De jongen had echter nooit geleerd wat het is om iets te bezitten en kende dus ook de angst niet om iets kwijt te raken. Voor deze jongen begon zich langzaam de deur te openen die voor iedereen gesloten was gebleven.
Van het goud dat in de grot lag kon de jongen inderdaad de rest van zijn leven rondkomen. Hij kocht een klein huisje aan de rand van het dorp en maakte in de loop van de tijd vrienden. Toen hij zeventien was vond hij een vrouw die hij liefhad en die hem liefhad. Samen kregen ze vijf kinderen en ze leefden lang en gelukkig. Bang om al die rijkdom kwijt de raken was de jongen nooit. Hij had zo lang voor zichzelf gezorgd en overleefd in zulke barre omstandigheden, dat hij wist dat hij ook zonder zijn nieuwe schatten kon leven, hoe dierbaar ze hem ook waren. Zijn grootste schat was het leven zelf. Dat besef was een rijkdom die hij altijd al had gehad en nooit meer kwijt kon raken.
Diep in het gebergte van Cantos lag een geheime grot, die op een dag ontdekt werd door de bewoners van een klein dorp in de buurt. De toegang tot de grot werd afgesloten door een enorme, ondoordringbare deur. De fantasie van de dorpelingen sloeg meteen op hol: er ging vast een schat achter verscholen! En inderdaad, zo concludeerde de dorpswijze, die als enige de inscriptie kon lezen die in de deur was aangebracht. In de grot zouden zich rijkdommen bevinden waarvan één man een leven lang met zijn gezin zou kunnen leven. Maar, zo zeiden de woorden, die rijkdommen waren bedoeld voor iemand die geen angst kende. Alleen voor zulk een persoon zouden de deuren zich openen.
Toen het nieuws over de schat bekend werd, spoedden de dapperste jagers van het dorp zich naar de grot. Het waren sterke mannen, die de grootste gevaren getrotseerd hadden en elke week weer hun leven waagden om in het onherbergzame gebied voedsel voor hun gezinnen te vangen. Als er iemand zonder angst was, moest die zich onder hen bevinden. Eén voor één traden de jagers toe tot de imposante deur. Maar zodra ze ervoor stonden, overviel hen een enorme angst. Met bonzend hart wachtten ze af of de deur zich voor hen zou openen. Er gebeurde niets. Toen ook voor de laatste jager de deur gesloten bleef, keerden de mannen terug naar het dorp. De oude wijze zou het wel verkeerd gelezen hebben. Ze besloten de volgende dag terug te keren om de deur te forceren. Of misschien was er nog een andere ingang.
De dappere mannen van het dorp probeerden een week lang om bij de schat te komen. Ze probeerden de deur te rammen, gebruikten buskruit en klommen door de steilste ravijnen om een andere ingang te vinden. De helft van hen sneuvelde daarbij. Zij die het overleefden, keerden elke dag onverrichter zake naar huis. Inmiddels had het nieuws ook de stad bereikt en de regent stuurde zijn dapperste soldaten om de deur te openen. Maar ook die werden bevangen door angst zodra het hun beurt was. De toegang bleef gesloten.
In de maanden die volgden kwamen er vanuit het hele land mannen en vrouwen die dachten moedig genoeg te zijn voor de verborgen schat. Er waren vrouwen die veertien, zeventien en zelfs eenentwintig kinderen gebaard hadden. Het waren niet voor niets de vrouwen die kinderen kregen, dus wie waren nu de dappersten? Maar ook hen zakte de moed in de schoenen zodra ze de deur in het oog kregen. Er waren mensen die hun leven gewaagd hadden om een ander te redden, schrijvers van kritische pamfletten, ontdekkingsreizigers, huurlingen, handelaren die grote investeringen hadden gedaan, wetenschappers die gewaagde experimenten hadden uitgevoerd. Uiteindelijk kwamen er zelfs mensen die geen enkele reden konden bedenken waarom ze zichzelf moedig vonden en die het gewoon maar wilden proberen. Maar niemand wist de deur tot de schat te openen.
Op een dag, toen eigenlijk niemand meer een poging wilde wagen, verscheen er een jongen van een jaar of veertien. Hij was smerig, mager en stonk een uur in de wind. Hij bewoog zich schuw en zijn fluisterzachte gestamel was nauwelijks te horen. De dorpelingen lachten hem uit. Zo’n hoopje ellende zou wel de laatste zijn met voldoende moed. Ze gaven hem een paar muntstukken en stuurden hem terug naar de stad. Maar de jongen hield vol dat hij naar de grot wilde. Uiteindelijk wees iemand hem de weg en de dorpelingen, die wel in waren voor een lachertje, liepen met hem mee.
Bij de grot aangekomen ging de jongen voor de deur staan. In tegenstelling tot al zijn voorgangers voelde de jongen geen enkele angst. Hij was na zijn geboorte te vondeling gelegd. Hij had nooit ouders gehad en nooit liefde gekend. Hij was opgegroeid in tehuizen waar stokslagen talrijker waren dan maaltijden. Op zijn negende was hij gevlucht, de straat op. Als zwerver had je een onderkomen nooit langer dan een nacht en vaak zelfs korter. Altijd hongerig, at hij voedsel dat hij vond meteen op. En van de sporadische geldstukken die hij kreeg kocht hij meteen voedsel. Vertrouwen kon hij niemand. Alle mensen die voor de deur hadden gestaan, hadden ooit in hun leven wel iets dierbaars bezeten wat ze ook weer kwijtgeraakt waren. Of dat nu een huis, een geliefde, kinderen of een baan was geweest. En dus werden ze steevast bang bij het vooruitzicht iets te krijgen wat zo graag wilden hebben. De jongen had echter nooit geleerd wat het is om iets te bezitten en kende dus ook de angst niet om iets kwijt te raken. Voor deze jongen begon zich langzaam de deur te openen die voor iedereen gesloten was gebleven.
Van het goud dat in de grot lag kon de jongen inderdaad de rest van zijn leven rondkomen. Hij kocht een klein huisje aan de rand van het dorp en maakte in de loop van de tijd vrienden. Toen hij zeventien was vond hij een vrouw die hij liefhad en die hem liefhad. Samen kregen ze vijf kinderen en ze leefden lang en gelukkig. Bang om al die rijkdom kwijt de raken was de jongen nooit. Hij had zo lang voor zichzelf gezorgd en overleefd in zulke barre omstandigheden, dat hij wist dat hij ook zonder zijn nieuwe schatten kon leven, hoe dierbaar ze hem ook waren. Zijn grootste schat was het leven zelf. Dat besef was een rijkdom die hij altijd al had gehad en nooit meer kwijt kon raken.
vrijdag 30 december 2011
De talisman
“Ik durf niet,” piepte het meisje. En ze bleef staan met een gezicht waaruit zonneklaar sprak dat niets ter wereld haar ook nog maar één stap kon laten verzetten.
De oude man dacht even na en haalde toen iets uit zijn jaszak. “Hier,” zei hij. “Maar voorzichtig. Het is heel bijzonder, dus je mag het niet kwijtraken.”
“Wat is het dan?” vroeg het meisje terwijl ze het ding aarzelend om en om draaide.
“Het is een talisman. Het wijst je de weg en beschermt je tegen alles waar je bang voor bent.”
“Ook tegen spinnen?”
“Ook tegen spinnen.”
“En ook tegen grislieberen?”
“Ook tegen grizzlyberen.”
Het meisje keek nu vol ontzag naar het voorwerp in haar hand. Toen omklemde ze het stevig en liep zonder iets te zeggen over de boomstam die over het beekje lag.
“U had gelijk!”riep ze opgelucht toen ze aan de overkant was. “En het was niet eens eng!”
De oude man glimlachte en liep achter haar aan.
“Moet u de talisman niet gebruiken?” vroeg het meisje, opeens weer bezorgd.
“Nee hoor,” zei de oude man, “ik heb hem niet nodig.”
“Maar het is toch gevaarlijk!”
“Nee hoor.”
“Maar waarom gaf u me dan de talisman?”
“Omdat jij bang was.”
“Ik snap het niet,” zei het meisje nu helemaal in de war.
“Een talisman beschermt je niet door het gevaar tegen te houden, maar door je angst weg te nemen, waardoor je zelf het gevaar kunt trotseren,” legde de oude man uit.
“Dus het was wél gevaarlijk en eng?” vroeg het meisje verontwaardigd? “En u heeft me er gewoon op afgestuurd!”
“Was het dat?”
Het meisje dacht even na. “Nee, ik geloof het eigenlijk niet.” En haar gezicht klaarde op.
De oude man zei niets meer en liep verder.
Ze liepen een hele poos. Het meisje dacht ondertussen na over wat er gebeurd was en langzaam drong tot haar door wat de betekenis was. Met de talisman kon ze elk gevaar trotseren en zou ze voortaan heel moedig zijn!
Na een tijdje kwamen ze bij een kloof met beneden een rivier. Erover liep een brug, maar de storm van de vorige avond had die op plaatsen flink toegetakeld. Hij zat nog maar ternauwernood vast in de rotswand. De oude man hield stil. “We moeten terug, hier kunnen we niet verder. Het is te gevaarlijk.”
“Maar we hebben de talisman toch?” sputterde het meisje. “Ik ben niet bang.” En om dat te bewijzen zette ze een stap op de brug. Die brak los onder haar gewicht en als de oude man haar niet vastgegrepen had, was ze met de vallende rotsbrokken mee in het ravijn gestort. Bevend keek ze achterom in de diepte. “Maar ik had de talisman toch?”
De oude man schudde zijn hoofd. “Dit gevaar was echt. Nu had je wel reden om bang te zijn. Je had eerst moeten luisteren naar wat de talisman je vertelde. Je zult in je leven nog vele gevaren tegen komen. Sommige zijn echt gevaarlijk, maar de meeste niet. Een talisman helpt je om het verschil te zien. Als een gevaar alleen maar in je hoofd bestaat, zal hij je angst wegnemen en kun je je weg vervolgen. Maar als een gevaar echt bestaat, zal ook de talisman je angst niet weg kunnen nemen. Angst is door de natuur gemaakt om ons te waarschuwen. Tegen die kracht kan niets op.”
“Maar wat heb ik er dan aan?”
De oude man gaf geen antwoord en daarop stopte het meisje de talisman maar weer in haar zak.
Ze liepen nu stroomafwaarts. Het meisje was verontwaardigd dat de oude man haar voor de gek had gehouden over de werking van de talisman en ze liep mokkend achter hem aan. Waarom was ze dan ook met hem meegegaan?
Na uren lopen kwamen ze eindelijk bij een nieuwe oversteekplaats. Maar wat een beetje vreemd was: hier waren twee bruggen. De ene was heel oud, al honderden jaren, zo vertelde de oude man. De andere was twee jaar geleden gemaakt door de mensen uit het dorp. Het meisje keek angstig van de ene brug naar de andere. Welke moesten ze nu nemen? Die nieuwe zag er niet al te stevig uit en de oude was, nou ja, oud. Wat haar betreft staken ze geen enkele brug meer over. “Misschien moeten we verder lopen tot de volgende brug,” stelde ze voor.
Maar de oude man was onverbiddelijk. “De volgende brug is twee dagen lopen. We moeten een van deze nemen als we op tijd willen zijn.”
Het meisje aarzelde en dacht toen aan de talisman in haar zak. Ze nam hem in haar hand. Er gebeurde niets. Ze keek naar de nieuwe brug en zag dat die nog slordiger gemaakt was dan ze al dacht. Die werd het zeker niet. Maar die andere. Ze bekeek hem nog eens goed. Het bouwsel mocht dan oud zijn, maar het hout zag er nog sterk uit. De constructie was slim en met veel zorg gemaakt. Daar hadden veel sterke mannen maanden, misschien wel jaren aan gewerkt. De storm leek er weinig vat op te hebben gekregen. Misschien zou die brug wel veilig genoeg zijn. Maar de angst kneep haar keel bijna dicht. Ze dacht weer aan de talisman en herinnerde zich wat de oude man had gezegd. Ze moest ernaar luisteren. Maar toen ze dat deed hoorde ze niets.
“Luister met je hart,” adviseerde de oude man toen hij haar zag worstelen. “Een talisman praat niet tegen je oor, hij praat tegen je ziel. Probeer diep van binnen te luisteren.”
Het meisje probeerde het nog eens en nu, ja, nu hoorde, of eigenlijk voelde ze de stem van de talisman. Die zei haar luid en duidelijk dat ze de oude brug kon vertrouwen. Langzaam ebde haar angst weg. Dankbaar keek ze de oude man aan. “We nemen deze,” zei ze zelfverzekerd en begon naar de overkant te lopen. De oude man liep tevreden achter haar aan.
Toen ze op hun bestemming waren aangekomen, vroeg de oude man tot verbazing en teleurstelling van het meisje de talisman terug.
“Maar u had hem toch niet meer nodig?”
“Nee,” zei de oude man, “maar jij ook niet.”
“Ja maar, ik heb hem wel nodig, dat heeft u zelf gezien!”
“Je hebt niet deze talisman nodig. Je weet nu hoe het werkt. Voortaan kan alles je talisman zijn. Als jij ernaar luistert, zal het tot je spreken. Maar ik raad je aan om er een te kiezen die je nooit kunt kwijtraken.”
“Ja maar,” zei het meisje, “alles kun je kwijtraken.”
“Niet alles,” zei de oude man geheimzinnig.
Het meisje boog haar hoofd en dacht diep na. Wat heb je altijd bij je en kun je nooit kwijtraken?
Opeens wist ze het. Maar toen ze opkeek om de oude man te vertellen wie haar talisman zou worden, was hij verdwenen.
De oude man dacht even na en haalde toen iets uit zijn jaszak. “Hier,” zei hij. “Maar voorzichtig. Het is heel bijzonder, dus je mag het niet kwijtraken.”
“Wat is het dan?” vroeg het meisje terwijl ze het ding aarzelend om en om draaide.
“Het is een talisman. Het wijst je de weg en beschermt je tegen alles waar je bang voor bent.”
“Ook tegen spinnen?”
“Ook tegen spinnen.”
“En ook tegen grislieberen?”
“Ook tegen grizzlyberen.”
Het meisje keek nu vol ontzag naar het voorwerp in haar hand. Toen omklemde ze het stevig en liep zonder iets te zeggen over de boomstam die over het beekje lag.
“U had gelijk!”riep ze opgelucht toen ze aan de overkant was. “En het was niet eens eng!”
De oude man glimlachte en liep achter haar aan.
“Moet u de talisman niet gebruiken?” vroeg het meisje, opeens weer bezorgd.
“Nee hoor,” zei de oude man, “ik heb hem niet nodig.”
“Maar het is toch gevaarlijk!”
“Nee hoor.”
“Maar waarom gaf u me dan de talisman?”
“Omdat jij bang was.”
“Ik snap het niet,” zei het meisje nu helemaal in de war.
“Een talisman beschermt je niet door het gevaar tegen te houden, maar door je angst weg te nemen, waardoor je zelf het gevaar kunt trotseren,” legde de oude man uit.
“Dus het was wél gevaarlijk en eng?” vroeg het meisje verontwaardigd? “En u heeft me er gewoon op afgestuurd!”
“Was het dat?”
Het meisje dacht even na. “Nee, ik geloof het eigenlijk niet.” En haar gezicht klaarde op.
De oude man zei niets meer en liep verder.
Ze liepen een hele poos. Het meisje dacht ondertussen na over wat er gebeurd was en langzaam drong tot haar door wat de betekenis was. Met de talisman kon ze elk gevaar trotseren en zou ze voortaan heel moedig zijn!
Na een tijdje kwamen ze bij een kloof met beneden een rivier. Erover liep een brug, maar de storm van de vorige avond had die op plaatsen flink toegetakeld. Hij zat nog maar ternauwernood vast in de rotswand. De oude man hield stil. “We moeten terug, hier kunnen we niet verder. Het is te gevaarlijk.”
“Maar we hebben de talisman toch?” sputterde het meisje. “Ik ben niet bang.” En om dat te bewijzen zette ze een stap op de brug. Die brak los onder haar gewicht en als de oude man haar niet vastgegrepen had, was ze met de vallende rotsbrokken mee in het ravijn gestort. Bevend keek ze achterom in de diepte. “Maar ik had de talisman toch?”
De oude man schudde zijn hoofd. “Dit gevaar was echt. Nu had je wel reden om bang te zijn. Je had eerst moeten luisteren naar wat de talisman je vertelde. Je zult in je leven nog vele gevaren tegen komen. Sommige zijn echt gevaarlijk, maar de meeste niet. Een talisman helpt je om het verschil te zien. Als een gevaar alleen maar in je hoofd bestaat, zal hij je angst wegnemen en kun je je weg vervolgen. Maar als een gevaar echt bestaat, zal ook de talisman je angst niet weg kunnen nemen. Angst is door de natuur gemaakt om ons te waarschuwen. Tegen die kracht kan niets op.”
“Maar wat heb ik er dan aan?”
De oude man gaf geen antwoord en daarop stopte het meisje de talisman maar weer in haar zak.
Ze liepen nu stroomafwaarts. Het meisje was verontwaardigd dat de oude man haar voor de gek had gehouden over de werking van de talisman en ze liep mokkend achter hem aan. Waarom was ze dan ook met hem meegegaan?
Na uren lopen kwamen ze eindelijk bij een nieuwe oversteekplaats. Maar wat een beetje vreemd was: hier waren twee bruggen. De ene was heel oud, al honderden jaren, zo vertelde de oude man. De andere was twee jaar geleden gemaakt door de mensen uit het dorp. Het meisje keek angstig van de ene brug naar de andere. Welke moesten ze nu nemen? Die nieuwe zag er niet al te stevig uit en de oude was, nou ja, oud. Wat haar betreft staken ze geen enkele brug meer over. “Misschien moeten we verder lopen tot de volgende brug,” stelde ze voor.
Maar de oude man was onverbiddelijk. “De volgende brug is twee dagen lopen. We moeten een van deze nemen als we op tijd willen zijn.”
Het meisje aarzelde en dacht toen aan de talisman in haar zak. Ze nam hem in haar hand. Er gebeurde niets. Ze keek naar de nieuwe brug en zag dat die nog slordiger gemaakt was dan ze al dacht. Die werd het zeker niet. Maar die andere. Ze bekeek hem nog eens goed. Het bouwsel mocht dan oud zijn, maar het hout zag er nog sterk uit. De constructie was slim en met veel zorg gemaakt. Daar hadden veel sterke mannen maanden, misschien wel jaren aan gewerkt. De storm leek er weinig vat op te hebben gekregen. Misschien zou die brug wel veilig genoeg zijn. Maar de angst kneep haar keel bijna dicht. Ze dacht weer aan de talisman en herinnerde zich wat de oude man had gezegd. Ze moest ernaar luisteren. Maar toen ze dat deed hoorde ze niets.
“Luister met je hart,” adviseerde de oude man toen hij haar zag worstelen. “Een talisman praat niet tegen je oor, hij praat tegen je ziel. Probeer diep van binnen te luisteren.”
Het meisje probeerde het nog eens en nu, ja, nu hoorde, of eigenlijk voelde ze de stem van de talisman. Die zei haar luid en duidelijk dat ze de oude brug kon vertrouwen. Langzaam ebde haar angst weg. Dankbaar keek ze de oude man aan. “We nemen deze,” zei ze zelfverzekerd en begon naar de overkant te lopen. De oude man liep tevreden achter haar aan.
Toen ze op hun bestemming waren aangekomen, vroeg de oude man tot verbazing en teleurstelling van het meisje de talisman terug.
“Maar u had hem toch niet meer nodig?”
“Nee,” zei de oude man, “maar jij ook niet.”
“Ja maar, ik heb hem wel nodig, dat heeft u zelf gezien!”
“Je hebt niet deze talisman nodig. Je weet nu hoe het werkt. Voortaan kan alles je talisman zijn. Als jij ernaar luistert, zal het tot je spreken. Maar ik raad je aan om er een te kiezen die je nooit kunt kwijtraken.”
“Ja maar,” zei het meisje, “alles kun je kwijtraken.”
“Niet alles,” zei de oude man geheimzinnig.
Het meisje boog haar hoofd en dacht diep na. Wat heb je altijd bij je en kun je nooit kwijtraken?
Opeens wist ze het. Maar toen ze opkeek om de oude man te vertellen wie haar talisman zou worden, was hij verdwenen.
donderdag 24 november 2011
Zielzwerm
Heb je wel eens naar zo'n enorme zwerm spreeuwen staan kijken in de schemering? Als één wezen bewegend, alsof ze door een hogere macht aangestuurd worden? Vanavond inspireerde dit schouwspel me tot een gedicht. Weet je niet wat ik bedoel? Kijk dan op youtube
Zielzwerm
Terwijl de zon de aarde kust
danst een zwarte vlaag van levenslust
als een schaduw door de lucht.
Duizend vogels in één vlucht
Tweeduizend vleugels, één beweging
waarin mijn blik betoverd mee ging
naar het land van gouden mist
waarin ik dwaalde tot ik wist
Dit is de ziel van moeder Nacht
die samensmelt met vader Dag
op het scherp van de schemer.
In het gekwetter klinkt hun lach
In gouden gloed ademt het zwart
gelijk het ritme van hun hart,
dijt uit, zwelt aan, stort neer, herrijst.
Zielzwerm, het levende bewijs
Zielzwerm
Terwijl de zon de aarde kust
danst een zwarte vlaag van levenslust
als een schaduw door de lucht.
Duizend vogels in één vlucht
Tweeduizend vleugels, één beweging
waarin mijn blik betoverd mee ging
naar het land van gouden mist
waarin ik dwaalde tot ik wist
Dit is de ziel van moeder Nacht
die samensmelt met vader Dag
op het scherp van de schemer.
In het gekwetter klinkt hun lach
In gouden gloed ademt het zwart
gelijk het ritme van hun hart,
dijt uit, zwelt aan, stort neer, herrijst.
Zielzwerm, het levende bewijs
woensdag 16 november 2011
De tuin die niet op de kaart staat
Ik heb een tuin. Een ware Hof van Eden. De grond is zo vruchtbaar, dat alles er wel wil groeien. Er staat een eeuwenoude eikenboom om onder te schuilen. En fris, jong gras om in te stoeien. In het midden, tussen de madeliefjes, bevindt zich een waterput waar je, snikhete zomers of kraakvriezende winters, je dorst kunt lessen. Van daaruit lopen paden alle windrichtingen op. Waar je ook gaat, er is altijd iets te doen of te ontdekken.
Zo is er, verstopt achter een beukenhaag, het hoekje met de schommel, waar je onbezorgd kunt spelen. Als je heel hoog schommelt, kun je de hemel bijna raken en is ineens alles mogelijk. Je kunt dan ook de beek zien die verderop langs een berkenbosje kabbelt. De stroming voert de mooiste gedichten en verhalen met zich mee uit verre oorden waar bijna nooit mensen komen. Ik zit daar graag om ernaar te luisteren en soms schrijf ik ze op.
Meer naar het noorden ligt, omgeven door braamstruiken, de moestuin, vol exotische en vergeten groenten die je alle energie geven die je nodig hebt. Het gereedschap voor het onderhoud staat in het schuurtje ernaast. En als je na de gedane arbeid je buik rond gegeten hebt, kun je in de boomgaard een sappig toetje vinden en daarna een dutje doen in de hangmat. Het is er heerlijk stil. Je hoort alleen het ruisen van de wind, die je zachtjes heen en weer wiegt.
Mocht je behoefte hebben aan gezelschap, dan is er bij de tamme kastanjeboom een vuurplaats, om je buren of toevallig passerende reizigers te ontmoeten en met hen van gedachten te wisselen. Over de wijsheden die de bloemenfontein je heeft ingefluisterd. Of over de prachtige gekleurde vogel die op het randje ervan zat te fluiten. En kom je iemand tegen met wie je samen het liefdespad wilt bewandelen, dan vind je aan het eind daarvan, voorbij de rozenboog, een prieel. Ik kan je uit ervaring vertellen dat het er heel romantisch is.
Je begrijpt wel, zo'n tuin vergt nogal wat onderhoud. Zoveel moois laten bloeien en groeien is hard werken. Je kunt het dan ook nooit helemaal goed doen. Er is altijd wel een hofje dat te lang verwaarloosd wordt, of een struik die dreigt weg te kwijnen. Zelfs de meest degelijke bouwsels storten ooit in elkaar. Maar er is nooit reden tot paniek. Want de levenskracht van de tuin is taai. Mocht er toch ergens een leven sterven, dan begint op diezelfde plek al snel weer een nieuw. Elk jaar wordt het herfst en verdort de hele boel. Stormen teisteren gewassen en gebouwen. Maar het wordt ook altijd weer lente. Werkend in de stralende zon is elk hek te repareren. Zolang ik er met al mijn liefde goed voor zorg, bruist de tuin van leven.
Waar deze bijzondere tuin ligt? Ergens op de grens van mijn lichaam en ziel. Bezoekers zijn van harte welkom. Maar de TomTom weet het meestal niet te vinden.
Zo is er, verstopt achter een beukenhaag, het hoekje met de schommel, waar je onbezorgd kunt spelen. Als je heel hoog schommelt, kun je de hemel bijna raken en is ineens alles mogelijk. Je kunt dan ook de beek zien die verderop langs een berkenbosje kabbelt. De stroming voert de mooiste gedichten en verhalen met zich mee uit verre oorden waar bijna nooit mensen komen. Ik zit daar graag om ernaar te luisteren en soms schrijf ik ze op.
Meer naar het noorden ligt, omgeven door braamstruiken, de moestuin, vol exotische en vergeten groenten die je alle energie geven die je nodig hebt. Het gereedschap voor het onderhoud staat in het schuurtje ernaast. En als je na de gedane arbeid je buik rond gegeten hebt, kun je in de boomgaard een sappig toetje vinden en daarna een dutje doen in de hangmat. Het is er heerlijk stil. Je hoort alleen het ruisen van de wind, die je zachtjes heen en weer wiegt.
Mocht je behoefte hebben aan gezelschap, dan is er bij de tamme kastanjeboom een vuurplaats, om je buren of toevallig passerende reizigers te ontmoeten en met hen van gedachten te wisselen. Over de wijsheden die de bloemenfontein je heeft ingefluisterd. Of over de prachtige gekleurde vogel die op het randje ervan zat te fluiten. En kom je iemand tegen met wie je samen het liefdespad wilt bewandelen, dan vind je aan het eind daarvan, voorbij de rozenboog, een prieel. Ik kan je uit ervaring vertellen dat het er heel romantisch is.
Je begrijpt wel, zo'n tuin vergt nogal wat onderhoud. Zoveel moois laten bloeien en groeien is hard werken. Je kunt het dan ook nooit helemaal goed doen. Er is altijd wel een hofje dat te lang verwaarloosd wordt, of een struik die dreigt weg te kwijnen. Zelfs de meest degelijke bouwsels storten ooit in elkaar. Maar er is nooit reden tot paniek. Want de levenskracht van de tuin is taai. Mocht er toch ergens een leven sterven, dan begint op diezelfde plek al snel weer een nieuw. Elk jaar wordt het herfst en verdort de hele boel. Stormen teisteren gewassen en gebouwen. Maar het wordt ook altijd weer lente. Werkend in de stralende zon is elk hek te repareren. Zolang ik er met al mijn liefde goed voor zorg, bruist de tuin van leven.
Waar deze bijzondere tuin ligt? Ergens op de grens van mijn lichaam en ziel. Bezoekers zijn van harte welkom. Maar de TomTom weet het meestal niet te vinden.
dinsdag 11 oktober 2011
Putter in de wind
Zondag had ik een VVV, een Vogel Vriendelijke Vibe, over me. Eerst werd ik in het bos nieuwsgierig benaderd door een assorti kleine vogeltjes. Terwijl ik stond te genieten van het ruisen van de wind door de bladeren, kwamen ze op nog geen twee meter van me vandaan op een tak zitten, hun koppie van links naar rechts draaiend om me met hun kleine kraaloogjes eens goed te bekijken. Ze bleven zo zeker een minuut of wat zitten. En ook ik bewoog natuurlijk geen vin. Die ontmoeting was genieten geblazen. Ook, of misschien wel juist, zonder camera.
's Middags sloop ik door de achterdeur om de putters in ons zonnebloemenbos te fotograferen, die daar zaten te schuilen voor de regen. Eén puttertje bleef op een paar meter afstand op het tuinhek zitten, wel een kwartier lang. Terwijl de wind door z'n veren blies, zat ie me met half toegeknepen oogjes te bestuderen, terwijl mijn camera druk klikte.
's Middags sloop ik door de achterdeur om de putters in ons zonnebloemenbos te fotograferen, die daar zaten te schuilen voor de regen. Eén puttertje bleef op een paar meter afstand op het tuinhek zitten, wel een kwartier lang. Terwijl de wind door z'n veren blies, zat ie me met half toegeknepen oogjes te bestuderen, terwijl mijn camera druk klikte.
Putters met pitten
Ons achtertuintje is deze dagen de vaste snackbar van een bende putters. Dat komt doordat de erfafscheiding wordt gesierd door een rij van zo'n twintig zonnebloemen. Ik heb dit prachtig gekleurde vogeltje nooit eerder in onze tuin gezien. Volgend jaar dus weer zonnebloemen!
Abonneren op:
Posts (Atom)