6 april 2011
Fuutfuuw
Wat een mazzel, zo'n duiklustige knapperd te pakken krijgen met zulk licht in het water. Hoezo alleen fotograferen bij zonsopgang en zonsondergang?
En ik ben ook nog eens gepromoveerd van de reservelijst van de plaatselijke minibasiscursus fotografie tot een plekje op de deelnemerslijst. Hopelijk mag ik dan wel m'n beginnersgeluk nog even houden.
3 april 2011
Zondagochtendgedachte
Volgens onze menselijke logica is ons hart een orgaan van vlees en bloed dat in ons lichaam ons bloed rondpompt. Volgens diezelfde logica zijn de sterren enorme bollen gas, onbereikbaar ver boven ons in de ruimte. Tussen het hart en de sterren bestaat geen enkel verband.
En toch kun je in je hart lezen wat in de sterren staat geschreven.
En toch kun je in je hart lezen wat in de sterren staat geschreven.
30 maart 2011
Streep eronder
De laatste weken worstel ik ergens mee. Nou worstel ik altijd wel ergens mee, voornamelijk met mezelf, maar dit gaat over schrijven.
Het was me al opgevallen dat mijn behoefte aan schrijven de laatste weken ver te zoeken is, zelfs in mijn dagboek. Dat maakte me wat onrustig, een beetje argwanend zelfs, maar ik realiseerde me pas echt dat er wat gaande is, toen ik een fragment las uit het boek ‘En wat als dit liefde is’ van Sophie van der Stap. De hoofdpersoon beschrijft op een gegeven moment de beperking van taal, de Westerse taal met name en dan vooral als het gaat om het uitdrukken van de beweeglijkheid van het leven. Sterker nog, ze stelt dat het geringe aantal werkwoorden dat onze taal kent, ten opzichte van het aantal zelfstandig naamwoorden en vergleken bij bijvoorbeeld het Chinees, iets zegt over onze Westerse kijk op het leven. Namelijk een focus op stilstaande zaken. Terwijl de Chinezen zich zowel in hun taal als in hun levensvisie veel meer richten op beweging.
Het was zo’n stukje tekst wat je het liefst zou onderstrepen, omdat het zo ontzettend waar is of zo'n mooie beschrijving van wat er in jezelf leeft. Je voelt dan een bijna onbedwingbare behoefte om het te markeren, want dit móet je onthouden, in je opnemen, door laten dringen tot de diepste krochten van je bewustzijn om het nooit meer te vergeten. En mocht dat toch gebeuren, dan is dankzij die streep de kans groter dat toch ooit je oog er weer op valt.
Dat strepen doe ik inmiddels toch maar niet meer, wetende dat ik een volgende keer weer iets heel anders ontzettend waar of mooi kan vinden, terwijl het toen vol vuur onderstreepte gedachtengoed tegen die tijd waarschijnlijk wordt afgedaan als achterhaald, voor de hand liggend, vanzelfsprekend. Een boek lezen gaat immers om jouw ervaring op dat moment bij wat je leest. Bovendien vermoed ik dat dit zo’n boek is waarbij streepvragende stukjes tekst zich om de haverklap voordoen. En een half onderstreept boek leest niet erg lekker.
Het maffe is dat terwijl ik dit typ, ik de clue van deze blog en daarmee het antwoord op mijn worsteling al weer inzie (zie straks punt drie aan het eind), terwijl ik tien woorden geleden nog geen flauw idee had waar dit verhaal naar toe gaat. En dat dat meteen nóg een antwoord en clue op zich is (zie punt twee aan het eind). Je kunt me nu niet meer volgen, maar lees toch maar door en niet vooruit, het komt goed.
De worsteling die het denkbeeldig onderstreepte stuk tekst haarscherp duidelijk maakte was: mijn onmacht om de grootsheid, complexiteit en veelheid van het leven in woorden te vangen. Het onvermogen om een gevoel, ervaring of waarneming op te schrijven zoals het werkelijk was. Neem de pijn, het gevecht, de levenslessen en de overwinning van mijn burnout. Ik wil er dolgraag ooit een boek over schrijven. Maar tegelijkertijd vraag ik me af: hoe kan ik ooit onder woorden brengen hoe het was? Hoe kan ik ooit een artikel of boek schrijven over welke ervaring van wie dan ook, die recht doet aan die ervaring? Sommige, nee veel, nee de meeste, nee misschien wel alle ervaringen, van hele kleine tot hele grote, kun je niet vertalen naar een setje letters, semantiek en grammatica. Dus waarom zou ik het proberen, laat staan publiceren?
Simpel, om drie redenen. Eén: om dezelfde reden waarom ik dit blog schrijf, namelijk omdat het in me opborrelt en er gewoon uit moet. Twee: omdat ik al schrijvende nieuwe inzichten opdoe, schrijven is soms een andere, ondersteunende manier van denken. Drie: omdat in elk stukje tekst wel woorden of zinnen staan die op enig moment, door enig persoon, in gedachten of misschien zelfs wel op papier, onderstreept worden.
Goh, heb ik toch weer wat geschreven.
Het was me al opgevallen dat mijn behoefte aan schrijven de laatste weken ver te zoeken is, zelfs in mijn dagboek. Dat maakte me wat onrustig, een beetje argwanend zelfs, maar ik realiseerde me pas echt dat er wat gaande is, toen ik een fragment las uit het boek ‘En wat als dit liefde is’ van Sophie van der Stap. De hoofdpersoon beschrijft op een gegeven moment de beperking van taal, de Westerse taal met name en dan vooral als het gaat om het uitdrukken van de beweeglijkheid van het leven. Sterker nog, ze stelt dat het geringe aantal werkwoorden dat onze taal kent, ten opzichte van het aantal zelfstandig naamwoorden en vergleken bij bijvoorbeeld het Chinees, iets zegt over onze Westerse kijk op het leven. Namelijk een focus op stilstaande zaken. Terwijl de Chinezen zich zowel in hun taal als in hun levensvisie veel meer richten op beweging.
Het was zo’n stukje tekst wat je het liefst zou onderstrepen, omdat het zo ontzettend waar is of zo'n mooie beschrijving van wat er in jezelf leeft. Je voelt dan een bijna onbedwingbare behoefte om het te markeren, want dit móet je onthouden, in je opnemen, door laten dringen tot de diepste krochten van je bewustzijn om het nooit meer te vergeten. En mocht dat toch gebeuren, dan is dankzij die streep de kans groter dat toch ooit je oog er weer op valt.
Dat strepen doe ik inmiddels toch maar niet meer, wetende dat ik een volgende keer weer iets heel anders ontzettend waar of mooi kan vinden, terwijl het toen vol vuur onderstreepte gedachtengoed tegen die tijd waarschijnlijk wordt afgedaan als achterhaald, voor de hand liggend, vanzelfsprekend. Een boek lezen gaat immers om jouw ervaring op dat moment bij wat je leest. Bovendien vermoed ik dat dit zo’n boek is waarbij streepvragende stukjes tekst zich om de haverklap voordoen. En een half onderstreept boek leest niet erg lekker.
Het maffe is dat terwijl ik dit typ, ik de clue van deze blog en daarmee het antwoord op mijn worsteling al weer inzie (zie straks punt drie aan het eind), terwijl ik tien woorden geleden nog geen flauw idee had waar dit verhaal naar toe gaat. En dat dat meteen nóg een antwoord en clue op zich is (zie punt twee aan het eind). Je kunt me nu niet meer volgen, maar lees toch maar door en niet vooruit, het komt goed.
De worsteling die het denkbeeldig onderstreepte stuk tekst haarscherp duidelijk maakte was: mijn onmacht om de grootsheid, complexiteit en veelheid van het leven in woorden te vangen. Het onvermogen om een gevoel, ervaring of waarneming op te schrijven zoals het werkelijk was. Neem de pijn, het gevecht, de levenslessen en de overwinning van mijn burnout. Ik wil er dolgraag ooit een boek over schrijven. Maar tegelijkertijd vraag ik me af: hoe kan ik ooit onder woorden brengen hoe het was? Hoe kan ik ooit een artikel of boek schrijven over welke ervaring van wie dan ook, die recht doet aan die ervaring? Sommige, nee veel, nee de meeste, nee misschien wel alle ervaringen, van hele kleine tot hele grote, kun je niet vertalen naar een setje letters, semantiek en grammatica. Dus waarom zou ik het proberen, laat staan publiceren?
Simpel, om drie redenen. Eén: om dezelfde reden waarom ik dit blog schrijf, namelijk omdat het in me opborrelt en er gewoon uit moet. Twee: omdat ik al schrijvende nieuwe inzichten opdoe, schrijven is soms een andere, ondersteunende manier van denken. Drie: omdat in elk stukje tekst wel woorden of zinnen staan die op enig moment, door enig persoon, in gedachten of misschien zelfs wel op papier, onderstreept worden.
Goh, heb ik toch weer wat geschreven.
28 maart 2011
27 maart 2011
24 maart 2011
20 maart 2011
Websperiment
M'n eerste zelf uitgeknipte en vormgegeven, bewegende 'mouse-over image':
www.mariekevissers.nl (muis over de reiger!)
www.mariekevissers.nl (muis over de reiger!)
13 maart 2011
Goddelijke witte klodder
Feest was het vroeger bij ons thuis als mijn moeder op een gewone zondag na de aardappels, vlees en groente een pak chocoladevla en een maatbeker vol versgeklopte slagroom op tafel zette. Het vooruitzicht op zo’n goddelijke witte klodder in het midden van het kommetje doordeweekse pap deed mij, mijn broertje en mijn vader misschien nog wel het meest, likkebaarden. Zes paar ogen volgden gespannen de lepel waarmee mijn moeder de wolkjes zoete room verdeelde. Want als iemand meer kreeg dan jij, dan lag daar een kans om je eigen portie te laten uitbreiden, hetzij door een kleine toegift van moeder, hetzij door de ongelijkheid eigenlepelig glad te scheppen.
Na drie flinke scheppen en een kleinere voor mijn moeder ging de maatbeker dan driekwart leeg de koelkast weer in, gevolgd door zes teleurgestelde ogen. “Dan hebben we morgen ook nog wat.” Maar wie maalt er om morgen als je voor de uitdaging staat die ene schep slagroom over de veelvoud aan lepels vla te verdelen? Alsof we cocaïne aan het versnijden waren werden de schepjes slagroom afgepast. Het was zaak om genoeg slagroom over te houden voor de laatste happen zonder al te veel concessies te doen aan de smaakbeleving van de eerste. Dat lukte de ene keer beter dan de andere, maar onze leergierigheid was in dezen groot. Zelfs het restkloddertje dat op maandag onze pap sierde werd op den duur vakkundig door ons uitgebaat. We genoten, maar bleven steevast achter met een gevoel van onvervuld verlangen.
Mijn lief heeft ongeveer hetzelfde jeugdtrauma overgehouden aan vla en slagroom. Vandaar dat we, nadat we samen de herinnering eenmaal toe durfden te laten, ons gemis direct gecompenseerd hebben met zo’n zelfde portie slagroom, maar dan voor ons tweeën en het mocht in één keer op. Zij aan zij klopten we ons witte goud, de één goed oplettend dat de ander niet te lang doorklopte en de ander goed oplettend dat de één niet uitschoot met de suiker. De slagroom werd perfect, precies dik, zoet en luchtig genoeg. Daar zaten we dan, ieder met een bak vla, bedolven onder een lawine van slagroom. Het kostte geen enkele moeite om elke hap in al zijn volheid naar slagroom te laten smaken. En toch, het bracht niet het genot van vroeger. Was het de nostalgie die ontbrak? Was onze herinnering na al die jaren de realiteit ontstegen?
Gisteravond hadden we toch weer eens pap met slagroom. En omdat de kas even wat aan de krappe kant is, leek het ons verstandig om het toetje inclusief slagroom over twee dagen te verdelen. “Dan hebben we morgen ook nog wat.” Daar was ie weer, de goddelijke witte klodder. Met minuscule hapjes lepelden we het naar binnen. Bij elke hap was daar weer het verlangen naar de volgende, de hoop dat ook daar de volle, zoete smaak weer door die van de vla heen zou breken. En de zorg of er wel genoeg overbleef tot de laatste hap. Het genot was als vanouds.
Het is echt waar: alles krijgen wat je hartje begeert maakt niet gelukkig. Als iets dat bewijst, dan is het wel chocoladevla met slagroom.
Na drie flinke scheppen en een kleinere voor mijn moeder ging de maatbeker dan driekwart leeg de koelkast weer in, gevolgd door zes teleurgestelde ogen. “Dan hebben we morgen ook nog wat.” Maar wie maalt er om morgen als je voor de uitdaging staat die ene schep slagroom over de veelvoud aan lepels vla te verdelen? Alsof we cocaïne aan het versnijden waren werden de schepjes slagroom afgepast. Het was zaak om genoeg slagroom over te houden voor de laatste happen zonder al te veel concessies te doen aan de smaakbeleving van de eerste. Dat lukte de ene keer beter dan de andere, maar onze leergierigheid was in dezen groot. Zelfs het restkloddertje dat op maandag onze pap sierde werd op den duur vakkundig door ons uitgebaat. We genoten, maar bleven steevast achter met een gevoel van onvervuld verlangen.
Mijn lief heeft ongeveer hetzelfde jeugdtrauma overgehouden aan vla en slagroom. Vandaar dat we, nadat we samen de herinnering eenmaal toe durfden te laten, ons gemis direct gecompenseerd hebben met zo’n zelfde portie slagroom, maar dan voor ons tweeën en het mocht in één keer op. Zij aan zij klopten we ons witte goud, de één goed oplettend dat de ander niet te lang doorklopte en de ander goed oplettend dat de één niet uitschoot met de suiker. De slagroom werd perfect, precies dik, zoet en luchtig genoeg. Daar zaten we dan, ieder met een bak vla, bedolven onder een lawine van slagroom. Het kostte geen enkele moeite om elke hap in al zijn volheid naar slagroom te laten smaken. En toch, het bracht niet het genot van vroeger. Was het de nostalgie die ontbrak? Was onze herinnering na al die jaren de realiteit ontstegen?
Gisteravond hadden we toch weer eens pap met slagroom. En omdat de kas even wat aan de krappe kant is, leek het ons verstandig om het toetje inclusief slagroom over twee dagen te verdelen. “Dan hebben we morgen ook nog wat.” Daar was ie weer, de goddelijke witte klodder. Met minuscule hapjes lepelden we het naar binnen. Bij elke hap was daar weer het verlangen naar de volgende, de hoop dat ook daar de volle, zoete smaak weer door die van de vla heen zou breken. En de zorg of er wel genoeg overbleef tot de laatste hap. Het genot was als vanouds.
Het is echt waar: alles krijgen wat je hartje begeert maakt niet gelukkig. Als iets dat bewijst, dan is het wel chocoladevla met slagroom.
De eerste
Afgelopen zaterdag. De eerste keer buiten zonder jas. De eerste lunch op het bankje voor ons huis. De eerste rups tussen de planten. De eerste bij op de laatste heidebloemen. Op zulke dagen komt de kracht van het leven naar de oppervlakte en mag je haar even aaien.
Ook de eerste huisvlieg, ongetwijfeld paraat om zijn nageslacht ergens tussen onze meubels te nestelen. Ik kon het niet over mijn hart verkrijgen om hem plat te meppen en heb hem zachthandig gevangen en buiten gezet. Daarna de eerste joekel van een mug. Tja...
Ook de eerste huisvlieg, ongetwijfeld paraat om zijn nageslacht ergens tussen onze meubels te nestelen. Ik kon het niet over mijn hart verkrijgen om hem plat te meppen en heb hem zachthandig gevangen en buiten gezet. Daarna de eerste joekel van een mug. Tja...
17 februari 2011
Zwanenbal(st)
Niet alleen aan de planten is de vroege lente merkbaar. Ook de zwanenkopppels in de polder wijken al een week of twee nauwelijks meer van elkaars zijde. De mannetjes vertonen opvallend veel territoriumgedrag, paraderend tegenover elkaar, met hoog opstaande vleugels, uitgezette veren en de borst ver vooruit. Imposant is dat.
Vorige week stuitte ik op een koppel dat bezig was elkaar het hof te maken. Wauw, wat is dat prachtig om te zien! Het verleidingsritueel dat ze met sierlijke, soepele halsbewegingen uitvoeren, steeds synchroon aan de ander, straalt een innige tederheid en erotiek uit die je bij dieren (en mensen) zelden ziet. Helaas had ik mijn camera niet in de aanslag en toen ik zover was, hadden de geliefden mij ook opgemerkt en zwommen gedecideerd verder het weiland in, om daar aan de slootkant te gaan grazen. Jammer, maar mijn aandacht was gewekt en in de dagen had ik een missie: het bekende hartje van zwanenhalzen fotograferen.
Het viel me op dat de innige manier van met elkaar omgaan ook buiten het paringsritueel doorgaat. In deze dagen doen de zwanen niets anders dan zij aan zij grazen, zij aan zij poetsen en zij aan zij slapen, waarbij hun bewegingen voortdurend die van de ander volgen. De symboliek van het zwanenhartje gaat dus nog veel verder dan alleen de vorm en het feit dat zwanenkoppels hun hele leven samenblijven.
Gisteren had ik eindelijk geluk. En ik kreeg niet alleen de hofmakerij voor mijn lens, maar meteen ook de hele vrijpartij. Een ware dans, die me laat snappen waarom het Zwanenmeer zo bekend en geliefd geworden is.
Het levert een prachtige serie op. Maar wat is het jammer dat ik maar een compactcamera heb met beperkte zoomlens. De scherpte laat door de afstand wat te wensen over. Tegelijk kan dat onmogelijk iets afdoen aan de schoonheid van zo'n liefdevol moment. Daarvoor was het te groots.
16 februari 2011
Parmantig
Het volgende is deels waargebeurd, deels verzonnen, naar aanleiding van de uitnodiging van het Neerlandsch Genootschap ter Bevordering van het Belegen Woord om verhalen in te sturen rond een bepaald belegen woord.
Parmantig
Mijn grootmoeder noemde mij vroeger vaak een parmantig dametje, als ik weer eens in haar mij veel te grote schoenen met veel te hoge hakken door haar flat stiefelde, met om mijn hals haar parelketting, op mijn lippen haar oudroze lippenstift en in mijn knuistjes haar handtas. Ik werd dan ietwat verlegen en mijn opgeheven blonde hoofdje blikte een paar tellen richting de ver voor mij uitstekende schoenneuzen. Maar mijn oma leerde mij al op jonge leeftijd de enige juiste reactie op complimentjes. ‘Wat zeggen we dan?’, vroeg ze steevast. ‘Dank u wel’, antwoordde ik dan, al weer vol bravoure naar haar opkijkend. Mijn oma was de enige die ik het woord parmantig ooit had horen gebruiken.
Tot ik twintig jaar later op een zomerse vrijdagmiddag in mijn gloednieuwe gebloemde jurk liep te paraderen door de buurt, voorzien van kekke zonnebril, lipglans en iets te grote maar o zo formidabele, hooggehakte muiltjes. Ik passeerde een bankje met daarop twee bouwvakkers, die daar in de zon met een flesje gerstenat in de hand het weekeinde zaten in te luiden. Ik zette mij al schrap voor het welbekende gefluit, of een in meer of mindere mate schuine opmerking en nam mij hooghartig voor om, welke uiting van lof of lust er ook zou volgen, deze volkomen te negeren. Stiekem was ik gewoon nog steeds een beetje verlegen.
Des te verbaasder was ik toen ik in het voorbijgaan hoorde: ‘wat loop jij parmantig, dame!’ Met een brede grijns draaide ik me naar hen toe en zei: ‘dank u wel!’
Parmantig
Mijn grootmoeder noemde mij vroeger vaak een parmantig dametje, als ik weer eens in haar mij veel te grote schoenen met veel te hoge hakken door haar flat stiefelde, met om mijn hals haar parelketting, op mijn lippen haar oudroze lippenstift en in mijn knuistjes haar handtas. Ik werd dan ietwat verlegen en mijn opgeheven blonde hoofdje blikte een paar tellen richting de ver voor mij uitstekende schoenneuzen. Maar mijn oma leerde mij al op jonge leeftijd de enige juiste reactie op complimentjes. ‘Wat zeggen we dan?’, vroeg ze steevast. ‘Dank u wel’, antwoordde ik dan, al weer vol bravoure naar haar opkijkend. Mijn oma was de enige die ik het woord parmantig ooit had horen gebruiken.
Tot ik twintig jaar later op een zomerse vrijdagmiddag in mijn gloednieuwe gebloemde jurk liep te paraderen door de buurt, voorzien van kekke zonnebril, lipglans en iets te grote maar o zo formidabele, hooggehakte muiltjes. Ik passeerde een bankje met daarop twee bouwvakkers, die daar in de zon met een flesje gerstenat in de hand het weekeinde zaten in te luiden. Ik zette mij al schrap voor het welbekende gefluit, of een in meer of mindere mate schuine opmerking en nam mij hooghartig voor om, welke uiting van lof of lust er ook zou volgen, deze volkomen te negeren. Stiekem was ik gewoon nog steeds een beetje verlegen.
Des te verbaasder was ik toen ik in het voorbijgaan hoorde: ‘wat loop jij parmantig, dame!’ Met een brede grijns draaide ik me naar hen toe en zei: ‘dank u wel!’
Een kwestie van dood of leven
Ik piepte krijsend om mijn moeder en bleef maar piepen, terwijl ik in
doodsangst op de rand van het nest balanceerde. Zij was daar ergens in
de diepte, ver beneden me. Mijn broertjes en zusjes dobberden al om haar
heen, met hun grote lompe poten driftig in het rond trappelend in een
poging houvast te vinden in het zacht stromende water. Achter elkaar aan
waren ze zojuist in de sloot geplonsd, uit de knotwilg, waarin vader en
moeder verkozen hadden ons nest te bouwen. Het zag er wat vreemd uit:
geel met bruine, donzige balletjes die uit een boom tuimelden. Op zich
was die plek natuurlijk geen slechte keus, we waren hier veilig geweest
voor de ratten en onttrokken aan het zicht van de mensen. Om die reden
is het gebruikelijk dat de eenden van de Tiendweg, ietwat tegen hun
natuur in, in bomen nestelen. Maar nu moest ook ik, slechts enkele uren
oud en nog amper gewend aan het gemis van de geborgenheid van mijn ei,
me uit dat nest laten vallen, van een hoogte die zeker twintig keer de
mijne bedroeg. Het zou mijn dood worden, daar was ik van overtuigd.
Mijn broertjes en zusjes hadden de sprong in het diepe glansrijk doorstaan en poedelden enthousiast rond, happend naar kroos en trots op het feit dat ze zich nu tussen de volwassen eenden bevonden. Weldra zou moeder beginnen aan de tocht naar de beschutte rietkragen verderop, waarbij ze haar in een colonne van zes zouden volgen, met of zonder nummer zeven in hun kielzog. Hoe lang nog zou het duren voor moeder de veiligheid van haar zes dappere kinderen zou verkiezen boven het ene kuiken dat maar niet uit het nest kwam? Hoe lang nog voor ze mij zouden achter laten? Ook dat zou mijn dood worden, dat wist ik heel goed. Ik zou hen niet terug vinden en geen enkele andere eend zou zich over mij ontfermen. Ik zou voortdurend verjaagd worden en uiteindelijk verhongeren, verdrinken of worden opgegeten door een reiger. Ik moest dus springen, ik had geen keus. Maar de angst verlamde me, deed me wanhopig wachten op een andere uitweg, ook al wist ik dat die niet zou komen. Beneden begonnen mijn broertjes en zusjes onrustig te piepen. Ze voelden de dreigingen die in en om het open water op de loer lagen. Ook zij wilden verder. Maar het maakte geen verschil. Ik bleef zitten waar ik zat en gilde om mijn moeder.
Korte tijd later hoorde ik mensenstemmen vlak naast het nest. Ik zag twee mensvrouwen die zich door de brandnetels heen een weg baanden naar mijn wilg. Ze wezen naar me en toen naar het water. Een hand kwam langzaam dichterbij, maar reikte niet hoog genoeg. Ik vermoedde wat ze van plan waren en begon nog harder te piepen, in de hoop dat mijn moeder me te hulp zou schieten. Maar ze zwom met mijn broertjes en zusjes wat verder van de kant af, buiten het bereik van de mensen.
Toen het tot me doordrong dat ik er alleen voor stond, stopte ik met piepen en sloot mijn ogen. In gedachten zag ik de hand dichterbij komen. Doodstil bleef ik zitten, alsof ik daardoor onzichtbaar zou kunnen worden. De hand was nog maar enkele centimeters bij me vandaan. Dit was het dan. Ik zou het grote niets ingaan zonder ooit gezwommen te hebben, zonder ooit zelf naar kroos gehapt te hebben. Ik zou nooit weten wat het was om een eend te zijn. En dat allemaal omdat ik niet de moed had gehad om te doen wat al mijn broertjes en zusjes wel hadden gedaan. Wat elke eend op de Tiendweg deed en wat nog vele eenden na mij zouden doen. Ik was een lafaard en dus was het maar beter dat het voorbij was.
Maar net voor de hand me raakte gebeurde er iets in me. Nee! Ging het opeens door me heen met een kracht die me tegelijkertijd nog banger maakte dan ik al was. Ik wil niet dood! Ik wil naar mijn moeder en naar mijn broertjes en zusjes! Ik ben een eend, ik wil zwemmen tussen de anderen en kroos eten en... Ik moet springen. Ik MOET springen! Maar ik durf niet. HELP!
Op hetzelfde moment voelde ik niet meer de stevig gevlochten takken onder mijn poten, maar de verplaatsing van lucht die met grote snelheid onder de vliezen van mijn poten doorstroomde, omhoog door mijn kuikendons en langs mijn opeengeklemde snavel. Ik had mijn ogen weer geopend en zag het groene oppervlak van de sloot in grote vaart op me af komen. Het was voorbij, schoot het door me heen, de hand had me geduwd en nu kon ik elk moment te pletter vallen. Terwijl mijn snelheid toenam, werden de blaadjes kroos groter en groter. Net toen ik verwachtte dat het licht uit zou gaan, voelde ik dat ik iets raakte en daar vervolgens doorheen ging. Nu viel ik veel trager, tegengehouden door een massa die tot mijn verbazing vertrouwd aanvoelde. Een herinnering aan de tijd in het ei kwam in me op, al was het daar veel warmer geweest. Aangezien het leven eindigt waar het begint, zoals moeder ons had verteld, zou dit de dood wel zijn.
Ik was nog bezig me te verbazen over de troebele wereld waarin ik was terecht gekomen toen mijn longen vonden dat het tijd was om adem te halen en ik een enorme gulp water binnen kreeg. Precies op dat moment schoot ik terug naar boven en proestend kwam eerst mijn kop en toen mijn hele lijf weer boven het water uit. Ik zoog de lucht naar binnen, er instinctief op voorbereid om elk moment weer kopje onder te gaan. Maar dat gebeurde niet.
Toen ik voelde dat ik stil lag, keek ik verdwaasd om me heen, me afvragend of ik nu dan eindelijk dood was. Mijn voeten zaten nog steeds in wat leek op koud vruchtwater, maar de plek waar mijn hoofd was leek meer op de omgeving van het nest. Verderop zag ik zelfs de boom waarin ons nest zat, met daarin… ons nest. Vreemd. Zelfs het water met het kroos was hier ook, alleen… dreef ik er nu in… Hoe kon ik nou in het water drijven? Ik snapte er niets van, tot ik achter me mijn broertjes en zusjes hoorde lachen. Ik probeerde me om te draaien, maar dat lukte niet. Automatisch trappelde ik met mijn poten en ik merkte dat ik vooruit ging. Ik zwom, schoot het opeens door me heen. Ik was helemaal niet dood, ik zwom tussen mijn broertjes en zusjes. Ik leefde, ik zwom!
Inmiddels hadden mijn broertjes en zusjes zich voor me verzameld en naast me dook mijn moeder op, die me een liefdevol duwtje met haar snavel gaf. Doordat ik nog niet zo stabiel in het water lag, draaide ik een halve slag om mijn as. Nu zag ik in de verte de twee vrouwen lopen. Toen het tot me doordrong dat zij me over de rand van het nest geduwd hadden en dat ik de val overleefd had, begon ik enthousiast te piepen. Dankzij hen zwom ik hier. Maar de vrouwen keken niet op of om. Ze waren al veel te ver weg. En toen realiseerde ik me dat zij me dus helemaal niet geduwd konden hebben. Was ik dan toch zelf gesprongen? Vol trots en helemaal op eigen kracht draaide ik me terug naar mijn familie.
Toen de vrouwen de volgende dag weer over de Tiendweg wandelden zagen ze ons niet meer in de sloot. Het nest in de wilg lag er verlaten bij. Nu het niet meer door vader en moeder onderhouden werd, zou het in de zomerzon verdrogen en in het najaar door regen en wind uiteengerafeld worden en vergaan. De wilg zou dan weer gewoon een wilg worden met kale takken, in de winter bedekt met een laagje sneeuw. Tot in de nieuwe lente nieuwe eendenkuikens in de beschutting van zijn nieuwe bladeren uit hun ei komen en, of ze durven of niet, de grote stap in het leven wagen.
Mijn broertjes en zusjes hadden de sprong in het diepe glansrijk doorstaan en poedelden enthousiast rond, happend naar kroos en trots op het feit dat ze zich nu tussen de volwassen eenden bevonden. Weldra zou moeder beginnen aan de tocht naar de beschutte rietkragen verderop, waarbij ze haar in een colonne van zes zouden volgen, met of zonder nummer zeven in hun kielzog. Hoe lang nog zou het duren voor moeder de veiligheid van haar zes dappere kinderen zou verkiezen boven het ene kuiken dat maar niet uit het nest kwam? Hoe lang nog voor ze mij zouden achter laten? Ook dat zou mijn dood worden, dat wist ik heel goed. Ik zou hen niet terug vinden en geen enkele andere eend zou zich over mij ontfermen. Ik zou voortdurend verjaagd worden en uiteindelijk verhongeren, verdrinken of worden opgegeten door een reiger. Ik moest dus springen, ik had geen keus. Maar de angst verlamde me, deed me wanhopig wachten op een andere uitweg, ook al wist ik dat die niet zou komen. Beneden begonnen mijn broertjes en zusjes onrustig te piepen. Ze voelden de dreigingen die in en om het open water op de loer lagen. Ook zij wilden verder. Maar het maakte geen verschil. Ik bleef zitten waar ik zat en gilde om mijn moeder.
Korte tijd later hoorde ik mensenstemmen vlak naast het nest. Ik zag twee mensvrouwen die zich door de brandnetels heen een weg baanden naar mijn wilg. Ze wezen naar me en toen naar het water. Een hand kwam langzaam dichterbij, maar reikte niet hoog genoeg. Ik vermoedde wat ze van plan waren en begon nog harder te piepen, in de hoop dat mijn moeder me te hulp zou schieten. Maar ze zwom met mijn broertjes en zusjes wat verder van de kant af, buiten het bereik van de mensen.
Toen het tot me doordrong dat ik er alleen voor stond, stopte ik met piepen en sloot mijn ogen. In gedachten zag ik de hand dichterbij komen. Doodstil bleef ik zitten, alsof ik daardoor onzichtbaar zou kunnen worden. De hand was nog maar enkele centimeters bij me vandaan. Dit was het dan. Ik zou het grote niets ingaan zonder ooit gezwommen te hebben, zonder ooit zelf naar kroos gehapt te hebben. Ik zou nooit weten wat het was om een eend te zijn. En dat allemaal omdat ik niet de moed had gehad om te doen wat al mijn broertjes en zusjes wel hadden gedaan. Wat elke eend op de Tiendweg deed en wat nog vele eenden na mij zouden doen. Ik was een lafaard en dus was het maar beter dat het voorbij was.
Maar net voor de hand me raakte gebeurde er iets in me. Nee! Ging het opeens door me heen met een kracht die me tegelijkertijd nog banger maakte dan ik al was. Ik wil niet dood! Ik wil naar mijn moeder en naar mijn broertjes en zusjes! Ik ben een eend, ik wil zwemmen tussen de anderen en kroos eten en... Ik moet springen. Ik MOET springen! Maar ik durf niet. HELP!
Op hetzelfde moment voelde ik niet meer de stevig gevlochten takken onder mijn poten, maar de verplaatsing van lucht die met grote snelheid onder de vliezen van mijn poten doorstroomde, omhoog door mijn kuikendons en langs mijn opeengeklemde snavel. Ik had mijn ogen weer geopend en zag het groene oppervlak van de sloot in grote vaart op me af komen. Het was voorbij, schoot het door me heen, de hand had me geduwd en nu kon ik elk moment te pletter vallen. Terwijl mijn snelheid toenam, werden de blaadjes kroos groter en groter. Net toen ik verwachtte dat het licht uit zou gaan, voelde ik dat ik iets raakte en daar vervolgens doorheen ging. Nu viel ik veel trager, tegengehouden door een massa die tot mijn verbazing vertrouwd aanvoelde. Een herinnering aan de tijd in het ei kwam in me op, al was het daar veel warmer geweest. Aangezien het leven eindigt waar het begint, zoals moeder ons had verteld, zou dit de dood wel zijn.
Ik was nog bezig me te verbazen over de troebele wereld waarin ik was terecht gekomen toen mijn longen vonden dat het tijd was om adem te halen en ik een enorme gulp water binnen kreeg. Precies op dat moment schoot ik terug naar boven en proestend kwam eerst mijn kop en toen mijn hele lijf weer boven het water uit. Ik zoog de lucht naar binnen, er instinctief op voorbereid om elk moment weer kopje onder te gaan. Maar dat gebeurde niet.
Toen ik voelde dat ik stil lag, keek ik verdwaasd om me heen, me afvragend of ik nu dan eindelijk dood was. Mijn voeten zaten nog steeds in wat leek op koud vruchtwater, maar de plek waar mijn hoofd was leek meer op de omgeving van het nest. Verderop zag ik zelfs de boom waarin ons nest zat, met daarin… ons nest. Vreemd. Zelfs het water met het kroos was hier ook, alleen… dreef ik er nu in… Hoe kon ik nou in het water drijven? Ik snapte er niets van, tot ik achter me mijn broertjes en zusjes hoorde lachen. Ik probeerde me om te draaien, maar dat lukte niet. Automatisch trappelde ik met mijn poten en ik merkte dat ik vooruit ging. Ik zwom, schoot het opeens door me heen. Ik was helemaal niet dood, ik zwom tussen mijn broertjes en zusjes. Ik leefde, ik zwom!
Inmiddels hadden mijn broertjes en zusjes zich voor me verzameld en naast me dook mijn moeder op, die me een liefdevol duwtje met haar snavel gaf. Doordat ik nog niet zo stabiel in het water lag, draaide ik een halve slag om mijn as. Nu zag ik in de verte de twee vrouwen lopen. Toen het tot me doordrong dat zij me over de rand van het nest geduwd hadden en dat ik de val overleefd had, begon ik enthousiast te piepen. Dankzij hen zwom ik hier. Maar de vrouwen keken niet op of om. Ze waren al veel te ver weg. En toen realiseerde ik me dat zij me dus helemaal niet geduwd konden hebben. Was ik dan toch zelf gesprongen? Vol trots en helemaal op eigen kracht draaide ik me terug naar mijn familie.
Toen de vrouwen de volgende dag weer over de Tiendweg wandelden zagen ze ons niet meer in de sloot. Het nest in de wilg lag er verlaten bij. Nu het niet meer door vader en moeder onderhouden werd, zou het in de zomerzon verdrogen en in het najaar door regen en wind uiteengerafeld worden en vergaan. De wilg zou dan weer gewoon een wilg worden met kale takken, in de winter bedekt met een laagje sneeuw. Tot in de nieuwe lente nieuwe eendenkuikens in de beschutting van zijn nieuwe bladeren uit hun ei komen en, of ze durven of niet, de grote stap in het leven wagen.
Veinsterbank
Een ode aan mijn -toen- nieuwe vensterbank. Uit een periode waarin de wereld elke dag weer te veel voor me was. Gelukkig heb ik dat gevoel ver achter me gelaten.
Als ik me klein voel
En de wereld is te groot
Dan kruip ik achter je op de bank
En hou me stilletjes dood
Als ik wil schuilen
Voor alles wat me te veel raakt
Dan ben jij het die breedgeschouderd
en robuust mijn rust bewaakt
Over jouw schouder zie ik de wereld
Zonder dat die mij kan begluren
Ik kan ongestoord mijmeren en peinzen
en door je kruin in de verte turen
Naarmate jouw begroeiing
Tot grotere hoogte expandeert
Kan ik steeds meer doen en laten
wat mijn hartje stil begeert
Vensterbank jij houdt de wereld
Ver van mijn bank en van mijn bed
Jij hebt de volumeknop der ongewenste prikkels
resoluut op nul gezet
In alle chaos en verleiding
In de onderzekerheid van het bestaan
Vorm jij een barrière
Waarachter ik me veilig waan
Achter jouw witgeharde pantser
durf ik op te staan uit de dood
In jouw schaduw kan ik veinzen
dat de wereld klein is en ik groot
O veinsterbank jij bergt me
O herberg van verborgenheid
Zeker als een berggeit in onherbergzame gebergten
Waarborg je mijn geborgenheid
Als ik me klein voel
En de wereld is te groot
Dan kruip ik achter je op de bank
En hou me stilletjes dood
Als ik wil schuilen
Voor alles wat me te veel raakt
Dan ben jij het die breedgeschouderd
en robuust mijn rust bewaakt
Over jouw schouder zie ik de wereld
Zonder dat die mij kan begluren
Ik kan ongestoord mijmeren en peinzen
en door je kruin in de verte turen
Naarmate jouw begroeiing
Tot grotere hoogte expandeert
Kan ik steeds meer doen en laten
wat mijn hartje stil begeert
Vensterbank jij houdt de wereld
Ver van mijn bank en van mijn bed
Jij hebt de volumeknop der ongewenste prikkels
resoluut op nul gezet
In alle chaos en verleiding
In de onderzekerheid van het bestaan
Vorm jij een barrière
Waarachter ik me veilig waan
Achter jouw witgeharde pantser
durf ik op te staan uit de dood
In jouw schaduw kan ik veinzen
dat de wereld klein is en ik groot
O veinsterbank jij bergt me
O herberg van verborgenheid
Zeker als een berggeit in onherbergzame gebergten
Waarborg je mijn geborgenheid
Onderweg
Nog een schepsel van vorig jaar.
Onderweg
Grazige weiden razen voorbij
Dartele veulens draven langszij
Drassige sloten doorweken de velden
Spannende bladzijden spreken van helden
Zonbeschenen plassen schitteren verscholen
Draaiende wieken verraden een molen
Een zuidwestenwind wiegt plagend de bomen
Witwoeste wolken weerspiegelen mijn dromen
Speurende katten spitsen hun oren
Rovende valken spieden vanaf hun toren
Een ritselende veldmuis is reddeloos verloren
Naast me vertelt iemand dat haar nichtje is geboren
Boterbloem en klaproos tieren welig in de bermen
Kievieten trachten hun nest te beschermen
Tegen verbouwende boeren met tractoren op hun akkers
Instappende studenten begroeten hun makkers
Roodbonte koeien kijken herkauwend rond
Een meisje wordt uitgelaten door haar hond
In paniek vluchtende hazen rennen als bezeten
Bellende passagiers bespreken het avondeten
Reigers turen reikhalzend naar vissen
Een fietser dreigt bijna de veerpont te missen
Terwijl hij juist snel naar huis wil, naar zijn kinderen en vrouw
Achter een krant verscholen krullen doen me denken aan jou
Onderweg
Grazige weiden razen voorbij
Dartele veulens draven langszij
Drassige sloten doorweken de velden
Spannende bladzijden spreken van helden
Zonbeschenen plassen schitteren verscholen
Draaiende wieken verraden een molen
Een zuidwestenwind wiegt plagend de bomen
Witwoeste wolken weerspiegelen mijn dromen
Speurende katten spitsen hun oren
Rovende valken spieden vanaf hun toren
Een ritselende veldmuis is reddeloos verloren
Naast me vertelt iemand dat haar nichtje is geboren
Boterbloem en klaproos tieren welig in de bermen
Kievieten trachten hun nest te beschermen
Tegen verbouwende boeren met tractoren op hun akkers
Instappende studenten begroeten hun makkers
Roodbonte koeien kijken herkauwend rond
Een meisje wordt uitgelaten door haar hond
In paniek vluchtende hazen rennen als bezeten
Bellende passagiers bespreken het avondeten
Reigers turen reikhalzend naar vissen
Een fietser dreigt bijna de veerpont te missen
Terwijl hij juist snel naar huis wil, naar zijn kinderen en vrouw
Achter een krant verscholen krullen doen me denken aan jou
15 februari 2011
Mijlpaal

Een schepsel van het afgelopen jaar, ter ere van het een-jarig jubileum van mijn lief en mij. Ongeveer zestienhonderd koperen spijkertjes zitten erin. En maar één keer op m'n duim geslagen!
We moeten hem nog gaan plaatsen in de duinen bij Hoek van Holland. Maar tot die tijd doet mijn bijna verkochte en dus lege huis prima dienst als fotostudio.
Nieuwe lente

Buiten wordt het lekker vroeg lente. Februari is amper halverwege, maar veel knoppen staan al op barsten en hier en daar bloeit een boom volop.
Ook aan mijn eigen levensboom lijkt het na een lange, strenge winter eindelijk voorjaar te worden. Nu ik heb laten sterven wat moest sterven, een ongezond huis, een berg ongezonde gewoontes en uiteindelijk ook mijn baan, ontstaat er ruimte voor nieuw leven, voor nieuwe knoppen aan mijn takken.
Eén van die knoppen, die al heel lang, heel graag wilde groeien maar daar geen kans voor kreeg, is mijn creativiteit. Het afgelopen jaar heb ik ontdekt hoe belangrijk die voor me is. Creativiteit is een basisingrediënt voor mijn vitaliteit.
Eigenlijk groeit er niet één, maar een hele tros creatieve knoppen, vol ideeën en inspiratie. Journalistiek schrijven was al mijn vak. Het afgelopen jaar zijn daar voorzichtig ook gedichten en verhalen bijgekomen. Maar vroeger was ik een echt tekenkind en de liefde voor vorm en kleur is altijd blijven kriebelen. Dus tja, ben ik nou van het woord of van het beeld?
Van woord én beeld, heb ik besloten. Want ik hou van allebei en ze vullen elkaar geweldig aan bij het vorm geven van verhalen. En verhalen ontdekken en vertellen, dat is de kern van mijn passie.
De komende tijd mag ik gaan ontdekken en leren, alle creatieve vormen die ik maar wil. En zeker zo belangrijk: ook mijn creatieve kracht heeft nog flink wat ontwikkeling nodig. Want ik belemmer mijn scheppingsproces nog heel vaak met torenhoge eisen aan het resultaat en angst om te falen.
Vandaar de Schepschuur. In mijn schuurtje mag ik naar hartenlust experimenteren en uitproberen. Hier mag ik leren, met opstaan én vallen. Komen er schepsels of ontdeksels uit waar ik enthousiast over ben, dan prik ik ze met een punaise aan de splinterige wand, waar een enkele voorbijganger het eens kan bekijken en er feedback op kan geven. Maar meer hoeft nog even niet.
In de Schepschuur mag alles worden wat het wordt, mogen de knoppen gaan groeien die gaan groeien. En misschien, als ik heel goed voor mijn levensboom blijf zorgen, komt er ooit uit één van die knoppen wel een hele mooie bloem.
4 april 2009
Stress rap
Zo veel, zo vol
M’n hoofd sluit kort en slaat op
hol
van al die prikkels, traan of
lach
en ingewikkelde gedachten,
Keuzes: wie, hoe, waar en
wat wil ik?
Belangrijke beslissing
Zal ik zus, ik moet nog zo
Echt leven krijg je niet cadeau
’T is zoeken naar je inspiratie
tussen bergen informatie
Ik wil rust,
ben uitgeblust
Prestatie heeft m’n ziel gekust.
Nu heeft ie pfeiffer,
door wedijver
om zichzelf te mogen blijven.
Zo vol, zo veel.
De spanning grijpt me naar de
keel.
Ik ben niet chill, gecompliceerd,
‘K kan m’n gedrag dat’s aangeleerd
niet rijmen met m’n oerinstinct
Ik vrees wat mensen ervan denken.
‘K zal altijd zoeken en nooit vinden,
Nooit genoeg, voor altijd kind
M’n hele hart vecht met wat moet
en wat niet mag treedt ik met voeten.
Skinny dippen kost een boete,
maar ik leef liever één keer goed.
Zodat ik aan het eind geen spijt
heb
van de angst dat ik ooit spijt zal hebben.
(4 april 2009)
Abonneren op:
Posts (Atom)






















